De kledingberg

DE KLEDINGBERG

Kleding is bijna net zo ‘bederfelijk’ als voedsel geworden: een shirtje voor anderhalve euro, een winterjas voor vijf tientjes, je koopt zo weer een nieuwe. De textielafvalberg groeit mee met onze winkelverslaving. ‘De enige innovatie is dat we vervuiling en arbeid geoutsourcet hebben.’

‘Ik ben heeeel blij dat Primark hier gaat openen… yuppiiii lalalala.’ ‘Oh yeaah! Wat ontzettend gaaf!’ ‘Waar kunnen we solliciteren?’

Een winterjas voor vijfentwintig euro, een feestjurk voor zeventien euro. Meer dan achtduizend vierkante meter Primark, zeven verdiepingen Amazing Fashion for Amazing Prices komen in december in Amsterdam. Tienermeisjes maken zich online op voor een stormloop op 124 pashokjes, kleding, tassen, schoenen en kerstrommel.

De allerlaatste trends kosten weinig. Zo’n shirtje van tien euro zal niet jaren meegaan, maar dat hoeft ook niet. De mode is je net aangeschafte garderobe snel voorbij geraasd. Fast fashion is meer dan één zomer en één wintercollectie. Iedere maand hangen er weer nieuwe items in de rekken boven op de vier hoofdcollecties.

Volgend jaar opent er weer een vestiging van Primark in Hilversum. Het jaar daarop kunnen Tilburgers shoppen bij de Ierse keten. Ook modebedrijven als het Zweedse Hennes & Mauritz en het Britse Topshop blijven meer winkels openen in Nederland.

HET SYSTEEM KRAAKT

‘Mode is bijna net zo bederfelijk geworden als voedsel,’ zegt Michiel van Yperen van MVO Nederland, een netwerk- en kennisorganisatie die overheden en bedrijven helpt om zo maatschappelijk verantwoord mogelijk te ondernemen. ‘Een jas droeg je vroeger tien jaar. Nu wordt elke maand of soms elke twee weken een nieuwe collectie gepresenteerd.’

Fast fashion, voor iedereen bereikbaar, heeft een keerzijde. Het systeem kraakt in zijn voegen, getuige de ingestorte fabriek in Rana Plaza, in Bangladesh in 2013. Meer dan duizend textielarbeiders vonden de dood in het puin. In de fabriek werd kleding gemaakt voor westerse ketens. Onder meer de goedkope laatste mode van Primark, Benetton en Mango werd in Rana Plaza in elkaar gestikt.

Maar er is nog een probleem: er is een gigantische, groeiende berg afval. Elk jaar wordt wereldwijd drie tot vier procent meer textiel geproduceerd dan het jaar ervoor. In Nederland wordt jaarlijks tweehonderdvijftig miljoen kilo textiel afgedankt. Bijna tweederde wordt verbrand volgens een rapport van Ernst & Young, ‘Circulaire Economie in de textielketen’, gemiddeld vijftien kilo stof per persoon.

De afvalberg bestaat grotendeels uit katoen, het meest vervuilende landbouwgewas op aarde. Voor de productie van een T-shirt zijn duizenden liters water nodig. Om te voorkomen dat de waardevolle katoenplanten worden opgevreten, worden heel veel pesticiden en insecticiden gebruikt. Een kwart van alle pesticiden ter wereld belandt op witte pluizige bollen in landen als China, de Verenigde Staten, India en Oezbekistan.

En dan is er nog niet eens verf, bleek of finishing aan te pas gekomen. Rivieren in het Verre Oosten worden vergiftigd en de arbeidsomstandigheden zijn zorgelijk. De Nederlandse overheid en de industrie hebben zeker de ambitie om dit te verbeteren, getuige bijvoorbeeld het textielconvenant dat de Nederlandse overheid begin dit jaar met de belangrijkste spelers uit de textielindustrie sloot, maar de zo broodnodige systeemverandering is niet in zicht, aldus Van Yperen.

Zoals de textielindustrie er vroeger in Twente en Tilburg uitzag, zo smerig is die nu nog. Alleen zien we het niet meer, want het gebeurt in Azië. Van Yperen: ‘Noch de industrie, noch dit convenant is gericht op echte verandering. Je kunt fabrieken controleren, maar controleurs kunnen worden omgekocht of orders worden doorgezet naar andere ateliers die een stuk ranziger zijn. Het is niet waterdicht.’

Het huidige businessmodel is onhoudbaar, bijna negentiende-eeuws, vindt hij. ‘De enige innovatie is dat we vervuiling en arbeid geoutsourcet hebben, dat het goedkoop is. Het negentiende-eeuwse model blijft overeind.’

TIEN KEER MEER INZAMELEN

De verandering in het consumptiepatroon van kleding heeft ook gevolgen voor het bedrijf Sympany, een van de grootste kledinginzamelaars in Nederland. In een net geopend sorteercentrum in Harderwijk dumpen talloze vrachtwagens iedere dag weer bergen kleding. Sinds drie jaar groeit de hoeveelheid kleding die Sympany te verstouwen krijgt ieder jaar met acht tot tien procent.

Mensen met een arbeidsbeperking laten onderbroeken, mutsen, broeken en knuffels door hun vingers gaan. ‘Soms zitten er zulke mooie dingen tussen,’ zegt Beata Orzechowska, hoofd van het sorteringsproces in de hal. ‘Ik had laatst zo’n mooie zijden blouse, geweldige kwaliteit.’ Haar handen glijden over elkaar, alsof de blouse weer door haar vingers gaat. ‘Soms zie je hier kleding voorbijkomen, dat is gewoon kunst.’

Nederlanders gooien mooie dingen weg, vindt Orzechowska. Onlangs was ze op werkbezoek in de buurt van Berlijn. ‘Vreselijk,’ zegt ze. De kleding in de bakken was ouderwets en tot op de draad versleten. Ook in haar geboorteland Polen is de kwaliteit stukken beroerder dan hier. ‘Alleen in Scandinavië zijn de afdankertjes nog mooier.’

Toch kunnen we tien keer meer inzamelen dan we nu doen, volgens Ernst & Young. Wereldwijd meer recyclen zou ons zeventig miljard euro aan materiaal besparing opleveren, berekende de Ellen Mac­Arthur Foundation. En dat zorgt weer voor extra banen, aldus de stichting die onderzoek doet naar circulaire economie.

Dat afgedankte kleding geld waard is, weten de Nederlandse gemeenten. Sympany betaalt jaarlijks vier miljoen euro aan de staatskas voor het mogen neerzetten van containers. Liefdadigheidsorganisaties zoals het Leger des Heils en Sympany en commerciële partijen bieden tegen elkaar op om de bakken te mogen plaatsen.

Twee op de drie afgedankte kledingstukken wordt doorverkocht. Van de winst, drie miljoen euro, financiert Sympany ontwikkelingsprojecten, vooral in Afrika. Sympany steekt dus niet, zoals veel mensen denken, arme weesjes in verre landen in een tweedehands pakje, maar verkoopt de kleren zelf door aan lokale handelaren om vervolgens bijvoorbeeld jonge Afrikanen een vakopleiding te laten doorlopen.

Modieuze kleding van goede kwaliteit komt in Nederlandse tweedehands kledingwinkels terecht. Iets minder mooie spullen zijn voor Oost-Europa, Oekraïne en Rusland. De derde categorie gaat naar Afrika. Redelijke kleding gaat naar landen als Ethiopië en Kenia. De slechtste, nog draagbare kwaliteit is voor de allerarmste landen zoals Malawi. De arme maar modebewuste Congolezen zijn niet geïnteresseerd in afdankertjes.

En dan is er ook nog een categorie die helemaal niet meer draagbaar is. Orzechowska haalt een kinderjas uit een van de metalen rekken. De mouwen zijn beduimeld, aan de voorkant zitten kleine gaatjes. ‘Dit kun je niet meer verkopen.’ De jas zal in het beste geval worden verwerkt tot poetslap of isolatiemateriaal voor de auto-industrie of voor bouwproducten.

De laatste jaren krijgt Sympany steeds meer textiel aangeboden, maar ook steeds meer ondraagbare spullen. Directeur Marc Vooges: ‘Mensen weten inmiddels dat ze ook gordijnen en dekens in onze bakken mogen gooien, waardoor het volume stijgt. Maar met een kussen kunnen wij weinig.’

Ook de waarde van weggegooide kleren wordt minder. Door de voort­razende collecties is een kledingstuk sneller uit de mode en bovendien is de kwaliteit minder dan vroeger. ‘Soms vallen de gaten er al in na één seizoen.’ En dan rest niets anders dan recycling voor de auto-industrie of poetslappen.

Vooges zou dat graag anders zien, maar de techniek om vezels hoogwaardig te recyclen tot nieuwe garens staat nog in de kinderschoenen, al is het technisch wel mogelijk. Veel stoffen zijn hevig bewerkt en ze bestaan vaak uit verschillende materialen. Wol of nylon, zijde of katoen, ze mogen dan misschien met elkaar in één kledingstuk zitten, het zijn totaal andere stoffen met andere eigenschappen.

RECYCLINGGOEROE

‘Het kan niet zo verder gaan. Dat shirt voor anderhalve euro inkopen, afdanken en vervolgens in de fik steken? Ergens zal de kledingmarkt zich moeten aanpassen, want dit is onhoudbaar,’ zegt luitenant-kolonel Rob van Arnhem. Behalve voor de inkoop van bedrijfskleding voor Defensie is hij ook verantwoordelijk voor de kledinginkoop van alle andere ministeries: van toga’s voor rechters tot broeken voor boswachters en gevechtskleding voor ME’ers. Daarbij heeft hij zich ontwikkeld tot recyclinggoeroe van de Nederlandse overheid. Het grootste knelpunt is volgens Van Arnhem de textiel afvalberg. Anders dan in de hevig concurrerende kledingbranche, let hij niet alleen op de goedkoopste leverancier. Hij mag maatschappelijk verantwoord inslaan. Zijn budget: twintig miljoen euro per jaar.

‘Ik heb rivieren gezien die rood zijn van de verfstoffen, geloosd door elfhonderd ververijen in Bangladesh. Ik heb mensen gezien die tot hun middel wit zijn omdat ze voor hun werk in de bleek staan. En het gaat er niet meer af,’ vertelt Van Arnhem.

Dus besloot hij in 2014 handdoeken en overalls in te kopen van ten minste tien procent gerecyclede stof. Maar toen hij zijn plan voorlegde aan de leveranciers, begon het gemor. Hoe zouden ze dat moeten doen? Het zou twee keer zo duur worden. Het kon niet. Of misschien ook weer wel. ‘Ze hadden eigenlijk geen idee.’

Van Arnhem: ‘Tot 2013 werden al onze legeruniformen na gebruik verbrand. Dat kostte klauwen vol geld, een half miljoen euro om precies te zijn. Nu worden de uniformen vervezeld. Dat levert tien tot twaalf miljoen euro per jaar op.’

Maar als recyclen zo goedkoop is, waar blijven dan de commerciële partijen? Natuurlijk is er een gigantisch verdienmodel, denkt de luitenant-kolonel, maar grote kledingbedrijven zijn wars van pionieren. ‘De kledingmarkt heeft een hoge doorstroom, lage marges en veel concurrentie. Om te investeren, moet je zekerheid hebben. Dat maakt hen afwachtend.’

Dan moet je als overheid die voortrekkersrol pakken, laten zien dat het wél kan, vindt Van Arnhem. Want die handdoeken en overalls komen er: dit voorjaar krijgt Defensie handdoeken van 36 procent gerecycled materiaal, en overalls gemaakt met 14 procent hernieuwde garen. De productie bleek lang niet zo ingewikkeld als de leveranciers Van Arnhem aanvankelijk voorhielden. Er komt een omslag aan, voorspelt hij. Er is een momentum. ‘Als ik het vuurtje moet aanwakkeren, dan is dat maar zo. Ja, de kledingindustrie is een supertanker. Maar ik zie de sector bewegen. Het is mijn vaste overtuiging. Er is geen weg terug.’

DE HEILIGE GRAAL

Maar zou zo’n omslag ook denkbaar zijn in de mode-industrie? Een overall is wel iets anders dan een overhemd of zomerjurkje. James Veenhoff van House of Denim, een innovatieplatform binnen de mode-industrie, is optimistisch. De techniek is er al, beaamt ook hij. ‘Maar wil je echt iets veranderen, dan moet je met iets komen dat er goed uitziet, hetzelfde kost en niet zoveel gedoe is.’

En gedoe, dat is gerecyclede stof nu juist wel. Niet alleen zijn de vezels korter en een beetje grijzig van kleur, het materiaal is ook een risico voor spinners. ‘Als je gerecyclede denim wilt maken, moet je “virgin” en gerecycled materiaal mengen en er nieuw garen van maken. Het spinnen gebeurt onder heel hoge snelheden. Als er ook maar een flardje ijzer in zit, gaat de fabriek in de fik. Je moet dus een industriële standaard ontwikkelen. Spinners en wevers moeten zeker weten dat stof en garen ijzervrij zijn.’

Nog een nadeel: wie textiel exporteert, moet precies aangeven wat erin zit. Dat lukt niet bij gerecyclede stof. En dan is er nog de prijs. Gerecyclede vezels worden nu vooral in Europa gemaakt, waardoor de kwaliteit hoog is, maar ook de prijs. Feenstra: ‘Een aantal projecten is mislukt, waardoor dit op een laag pitje is komen te staan. Tot nu toe heeft geen enkel merk het lef of belang om hier lang mee bezig te zijn.’

Het gevolg: iedereen wijst naar elkaar en naar de consument. Dat die geen zin heeft in een vlokkerige, grijze trui die ook nog eens duur is, snapt Feenstra wel. ‘Maar als je er echt iets gaafs én duurzaams van maakt, is de consument ook bereid meer te betalen. Kijk naar het elektrische automerk Tesla. Ga je op grote schaal produceren, dan gaat de prijs vanzelf omlaag. Met de spinners heb je een veel groter deel van de keten in handen. Het is lastig om tussen bestaande relaties te komen, maar weet je door de bestaande structuren heen te werken, dan heb je de heilige graal te pakken.’

GROENE FAÇADE

Zijn onze kleren de afgelopen jaren niet al duurzamer geworden? De oplettende consument ziet in winkelstraten steeds vaker ‘groene’ labels opduiken, ook bij grotere modeketens. Maar je moet wel heel goed en kritisch kijken om het onderscheid te kunnen maken tussen slimme marketing (greenwashing) en echte verandering. Vaak wordt de consument een te rooskleurig en te eenvoudig beeld voorgespiegeld van duurzaamheid in de mode.

Een voorbeeld: het Zweedse modemerk H&M staat binnen de fast fashion-wereld bekend als voorloper in duurzaamheid, maar heeft wel een groot deel van de productie in Azië ondergebracht. Het Zweedse bedrijf wil op termijn toe naar een productie die honderd procent circulair is en investeert daarom in innovatie in de hele keten. Zeker in vergelijking met andere modebedrijven is dit ambitieus, maar de realiteit blijkt op het gebied van recycling weerbarstiger dan de marketingcampagnes van de modeketen willen doen voorkomen.

Een voorbeeld. H&M verzamelt oude kleding van klanten in hun winkels. ‘Meer dan 32.000 ton textiel hebben we ingezameld om het een nieuw leven te geven. Dat is meer stof dan honderd miljoen T-shirts,’ schrijft het bedrijf op zijn site.

Dit klinkt fantastisch, maar kijk er goed naar en een groot deel van deze claim blijkt marketing te zijn. ‘Honderd miljoen T-shirts’ zal H&M hier niet van maken. Volgens de Zweedse modeketen is de techniek om nieuwe stof uit oude stof te maken niet op grote schaal toepasbaar. Zelfs in hun duurzamere collecties (het label Conscious) zegt H&M niet meer dan twintig procent gerecyclede katoen te kunnen gebruiken wegens kwaliteitsverlies.

Je oude spullen inleveren bij H&M is niet duurzamer dan het in de kledingbak op de hoek van je straat te werpen. Het Duitse commerciële bedrijf I:CO waaraan de sortering en verwerking is uitbesteed, doet in feite hetzelfde als liefdadigheidsorganisaties zoals het Leger des Heils en Sympany, maar dan zonder de winst grotendeels te investeren in goede doelen. Slechts twee cent per kilo gaat naar een goed doel, staat op de website van I:CO te lezen. Bij Sympany is dat zo’n veertien cent per kilo.

Het aandeel gerecyclede stof in nieuwe kleding van H&M was vorig jaar 0,2 procent. Dat zou dit jaar één procent moeten worden. The Guardian berekende dat het twaalf jaar kost om duizend ton materiaal te recyclen met het huidige aandeel opnieuw verwerkte vezels. Terwijl een bedrijf als H&M in enkele dagen duizend ton kleding produceert.

In reactie mailt H&M-duurzaamheidsmanager Cecilia Brännsten dat een deel van de opbrengst van de ingezamelde kleding gebruikt wordt om nieuwe recyclingtechnieken te ontwikkelen. Een telefonisch interview werd te elfder ure afgezegd. Brännsten benadrukt dat H&M geen winst maakt op ingezamelde kleding, maar schrijft ook dat op dit moment de technische oplossingen nog ontbreken om een groter aandeel gerecyclede stof terug te laten komen in de productieketen van het bedrijf. Althans, niet op de schaal waarop H&M opereert, al is die ambitie er wel voor de toekomst. Intussen wordt de energie die H&M in verduurzaming steekt, al wel honderd procent vermarkt.

WE KUNNEN HET NIET ALLEEN

De grote spelers in de kledingbranche zoals H&M, Nike en C&A weten heel goed wat hun impact is op producerende landen, zegt Jeffrey Hogue, hoofd duurzaamheid voor C&A in Europa, Brazilië, Mexico en China. ‘Ik ben het ermee eens dat het huidige, lineaire bedrijfsmodel onhoudbaar is. Maar er is nog bijna geen enkele industrie die circulair is. We moeten met zijn allen investeren, oplossingen zoeken en veranderingen afdwingen. We kunnen het niet alleen.’

Inzamelen in de kledingbakken in de C&A-winkels draagt volgens hem niet bij aan een circulaire economie. Tweederde van de kleding wordt opnieuw gedragen. De rest wordt verwerkt tot andere producten, maar niet tot nieuwe kleding.

Dus heeft het Nederlandse modebedrijf zich aangesloten bij de Circular Economy 100, een netwerk van de Ellen MacArthur Foundation dat nieuwe technologie en samenwerkingen binnen de industrie stimuleert. Ook heeft C&A een grote collectie duurzamere katoen.

‘Elk jaar worden er honderd miljard kledingstukken gemaakt. We willen werken aan vermindering van watergebruik en minder vervuiling door chemicaliën en door de uitstoot van broeikasgassen.’

Want, benadrukt Hogue, niemand is gebaat bij een race naar de bodem, ook de mode-industrie niet. ‘Het maakt niet uit hoeveel collecties je hebt. Het gaat erom dat je betere collecties hebt. Die zijn nodig om de industrie te laten blijven bestaan.’

FOTOGRAAF: EDDO HARTMANN

Stadsgesprekken Woonagenda 2025

Hoe wonen we in 2025? Wat voor huizen moeten erbij gebouwd worden en hoe gaan we die gebruiken? De Amsterdamse wethouder Laurens Ivens houdt in november een serie stadsgesprekken over de Woonagenda van onze hoofdstad in 2025. Pieter-Bas is er een van de tafelvoorzitters.

Meepraten? Dat kan op 15, 22 en 29 november om 19.00 uur in Pakhuis Wilhelmina, Piet Heinkade 179, Amsterdam.

Een vergeten kampgeschiedenis

Nog voor een Nederlander in een Jappenkamp verdween, werd iedereen in Nederlands-Indië met ook maar een druppel Japans bloed opgepakt, als vee in het ruim van een schip gepropt en naar een kamp in Australië gestuurd. Een overtocht waarbij onder dubieuze omstandigheden zelfs doden vielen.

Huh?

Dat dacht ik ook. Daarom wil ik samen met Davy Meangkom op zoek gaan naar zijn schrijnende familiegeschiedenis. Zijn familie werd na een gruwelijke overtocht jarenlang in een kamp in Australië gestopt.

Na de oorlog moesten alle Indische Japanners naar Japan, een verwoest land waar de meesten van hen nog nooit waren geweest. Daar wachtte opnieuw een kamp, ditmaal speciaal voor vreemde Japanners.

In Tokio woont Haru, de hoogbejaarde oudtante van Davy. Zij kan deze vrijwel onbekende oorlogsgeschiedenis nog in het Nederlands navertellen. Om deze geschiedenis vast te leggen, wil ik  met uw hulp zo snel mogelijk afreizen naar Japan.

Wat ga ik maken?

Het doel is om de geschiedenis van de Indische Japanners te vertellen in een aantal artikelen en een radiodocumentaire. Onderweg zal ik het maken van beeld zeker ook niet vergeten. Dat alles om u als donateur een presentatie met veel exclusief materiaal te bezorgen. U zult daar een zogenaamde ‘Audio-driven visual’ te zien krijgen, een met beeld verrijkte versie van de radiodocumentaire.

Het bedrag dat ik via voor de kunst hoop op te halen zal ik gebruiken voor de beeldmontage, de reis, het verblijf, de huur van apparatuur en om verdere research naar dit verhaal te doen.

Steun dit project via Voor de Kunst en ik ben u eeuwig dankbaar!

Het kerkhof dat Sahara heet

Het Parool, 8 oktober 2016

Miljoenen euro’s stuurt de Europese Unie naar het Afrikaanse land Niger. Doel is om de massamigratie door de Sahara te voorkomen. Maar het aantal migranten neemt sterk toe, terwijl de woestijn steeds meer verandert in een kerkhof.

Sophie van Leeuwen

AGADEZ – Elke maandagavond staan twee- tot driehonderd auto’s klaar in Agadez om de woestijn over te steken. Elk voertuig telt minstens 25 migranten. Soms zijn het vrachtwagens vol vluchtelingen. Zij wagen de gevaarlijke oversteek van Niger naar Libië.

Duizenden vluchtelingen reizen ieder weekend naar Agadez toe. Dan is er minder controle op de weg van de hoofdstad Niamey naar deze woestijnstad in het noorden van Niger en het kloppende hart van de mensenhandel dwars door de Sahara.

Ibrahim Manzo Diallo (44) volgt de migratie al dertien jaar. Als journalist en oprichter van de onafhankelijke krant Aïr Info in het noorden van Niger zag hij de handel veranderen en beschreef hij het fenomeen veelvuldig. Volgens hem wordt de Europese Unie, die miljoenen in het Afrikaanse land investeert om de mensenstroom tegen te gaan, belazerd waar ze bij staat.

20161008 Parool Sahara

“Net buiten de stad staat een hek van ongeveer twee kilometer lang,” vertelt Diallo. “Agenten houden mensen aan zodra vertegenwoordigers van de Europese Unie in de buurt zijn. ‘O, wat doen ze goed werk,’ klinkt het dan. Maar de agenten fluisteren tegen de chauffeurs: ‘Rij om het hek heen, een paar kilometer die kant op. Wij hebben niets gezien’.”

In Niger is mensenhandel een belangrijke bron van inkomsten. Politieagenten vragen commissie voor migranten die ze doorlaten. En dus gaat de handel gewoon door. Diallo: “Sinds de EU zich met de migratie bemoeit, rijden steeds minder wagens via de barrière. Agenten en mensenhandelaren zijn vrienden.”

De massale trek is een goudmijn voor handelaren die overal in de stad villa’s bouwen en winkeltjes openen. De prijs van een reis door de Sahara is de afgelopen jaren verdubbeld tot zeker driehonderd euro. De lokale economie bloeit als nooit tevoren. “Het is alsof heel Afrika naar Europa verhuist,” zegt Diallo. Agadez is een knooppunt van gelukzoekers die vanuit West-Afrika naar Europa willen reizen, via Algerije en Libië en daarna de ook al zo riskante oversteek van de Middellandse Zee. Het zijn meestal jonge mannen uit Nigeria, Senegal, Gambia, Ivoorkust, Mali, Kameroen, Burkina Faso of Niger.

Grote schrik

Veel Nigerianen vluchten voor de rebellengroep Boko Haram. Anderen raakten werkloos in de oliestaat Gabon, na de val van de olieprijs. Smokkelbendes maken volop gebruik van de politieke chaos in Libië. Migratie heeft altijd bestaan in Agadez. Er waren altijd reizigers die voorbijkwamen, weet Diallo. “Hallo! Waar ga je heen? Rome? Oké, goede reis! Maar sinds de val van dictator Muammar Kadhafi in 2011 is de reis grimmiger geworden.”

Meisjes worden vaak gedwongen zich te prostitueren. De handelaren pakken hun paspoort af. “Iedereen in de stad weet: als er nieuwe migranten aankomen, zijn er nieuwe meisjes. De mannen staan voor ze in de rij. En iedereen wil eraan verdienen. De politie, de militairen, de chauffeurs.”

Europeanen kijken met grote schrik naar de Afrikaanse trek naar het noorden. 26 miljoen euro maken de Europese lidstaten vrij om komend jaar illegale migratie en terrorisme in Niger tegen te gaan. Vorig jaar kreeg de missie EUCAP Sahel Niger nog 18 miljoen euro.

Steeds meer Afrikanen willen naar Europa. Dat bevestigt Guiseppe Loprete van de internationale organisatie voor migratie (IOM) in Niger. Hij werkt samen met de missie EUCAP Sahel Niger. Zij schatten dat 150.000 vluchtelingen dit jaar naar Libië reizen, tegen 100.000 in 2015.

“Het zijn schattingen want wij staan niet de hele dag bij de checkpoints,” zegt Loprete. “Controleren is maar een deel van ons werk. Wij praten met migranten en leggen uit hoe gevaarlijk de reis is. Wij helpen ze om projecten op te zetten. Een klein restaurant bijvoorbeeld, zodat mensen kunnen terugkeren om een beter leven op te bouwen.” Naar eigen zeggen haalden zijn medewerkers ruim vierduizend mensen over om terug te reizen naar hun land van herkomst. Een fractie van de totale mensenstroom.

Tot zover de officiële cijfers. Maar het werkelijke aantal migranten is veel hoger, volgens Diallo. Vertegenwoordigers van de EU zullen nooit de echte migratie zien, denkt de journalist uit Agadez. “Zij komen aan in een privévliegtuig, ze worden door militairen geëscorteerd naar een hotel met zwembad, een van de duurste in Agadez, bewaakt door agenten.”

“Hun oren horen niet, hun ogen zien niet. Ze hebben geen direct contact met de bevolking. Ze zien alleen wat de autoriteiten willen dat ze zien. Maar wij van Agadez zijn getuige van de handel. Wij zien de waarheid, wat er echt gebeurt. Zij zien 150.000 migranten. Ik verzeker u: het zijn er minstens twee keer zoveel.”

De autoriteiten in Niger kunnen er ook weinig tegen doen. Inwoners van West-Afrika mogen namelijk vrij reizen binnen de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (Ecowas). “Maar het geld uit Europa laat onze regering natuurlijk niet liggen,” zegt Diallo.

Niemand weet exact hoe groot het probleem is, geeft ook Loprete van het IOM toe. “Het is makkelijker om de Middellandse Zee te controleren dan de Sahara. En de provincie Agadez is groter dan Frankrijk.”

Beenderen

Intussen worden steeds meer jongeren uit Libië chauffeur. Zij kennen de Sahara niet. Er is geen weg door de woestijn. Eerst rijden ze over stenen, dan volgt duizend kilometer zand. Velen verdwalen en sterven van de dorst.

Diallo ontmoette een man met tien auto’s die hij door de Sahara liet rijden. “Hij zette zijn kleine broertje die nauwelijks kon rijden achter het stuur. Zo’n auto wordt dan volgeladen met mensen. Niemand wacht op die mensen in Libië. Niemand weet dat ze Agadez hebben verlaten.”

Soms worden rijen lichamen gevonden in de woestijn. Wit geblakerde beenderen in de zon. Vaak verdwijnen ze geruisloos onder het zand van de Sahara. “Niemand weet wat er gebeurt in de woestijn, hoeveel doden er vallen,” zegt Diallo. “Het is een groot drama. De Sahara is een kerkhof.”

Column: Onze achterlijke cultuur

Geschreven voor het radioprogramma NTR kwesties:

Het is soms even schrikken als ik op een zomerse vrijdagmiddag door de stad fiets: op elke hoek van de straat staan hordes mensen luidruchtig alcohol naar binnen te gieten. Hoe later je langsrijd, hoe hoger het aantal decibellen en hoe gênanter de taferelen.

Het schijnt bij de Nederlandse cultuur te horen: de hele week gedraag je je en als het vrijdag is gaan alle remmen los en mag je, drankje in de hand, aanhankelijk doen bij je collega die ineens wel hele mooie blauwe ogen heeft. Of je zegt een goede vriend eindelijk eens de waarheid.

Ik moet op zo’n moment vaak denken aan de populistische roeptoeters die om het hardst schreeuwen dat de islam een ‘achterlijke cultuur’ is. Zijn zij nooit naar een café geweest? Vast wel, net als ik. Waarschijnlijk hebben ze na een stevige avond drinken ook wel eens hun hoofd gebroken over wat er precies gebeurd was de avond ervoor.

Samenscholing

Bij mij begon het sociale drinken ook op een onschuldige zonnige vrijdagmiddag. Vrijwel alle Roermondenaren tussen de vijftien en achttien verzamelden zich in jaren negentig elke week in de Veldstraat. Een rijtje kroegen daar beconcurreerden elkaar daar tussen vier en zes met een zo laag mogelijke bierprijs. In een café bepaalde een grote dobbelsteen op de dansvloer de bierprijs. Elke stip was een kwartje waard.

En de Marokkanen? Die waren er ook in de Veldstraat en veel van hen dronken niet, maar gaven een joint door. Wie wat wilde leren over andere drugs dan alcohol was bij hen aan het goede adres.

Nuchter leven is lastig

Marokkaan, Limburger of Hollander. Stoned of dronken. We waren allemaal pubers, onzeker over ons uiterlijk en ons talent op het liefdespad. Aanvankelijk probeerden we de liefde en het leven nuchter onder controle te krijgen maar dat bleek voor de meesten niet weggelegd. Dus maakte we het ons makkelijker met een stevige hijs van een joint of een slok bier. Ineens durfde je iedereen wel aan te spreken en ook zoenen bleek lang niet zo lastig.

Inmiddels ben ik zelf vader, ga vrijdag meestal braaf naar huis en kijk ik wat bedenkelijk naar al die gare jongeren: wat een achterlijke onnozele toestanden. Maar ze zijn van alle tijden en culturen. Het streng handhaven van het verbod op alcohol onder de achttien zal het gebruik alleen maar terugdringen naar stegen, schuren of bosjes ver uit ons zicht. Beter zien we enigszins wat iedereen gebruikt en doet. Geef jongeren de mogelijkheid de achterlijkheid zelf te beteugelen. Echt waar. De meesten zullen dat na wat schade en schande doen, net als wij zelf.

Pieter-Bas van Wiechen (1975) is freelance schrijver en radiomaker met een bijzondere interesse voor geschiedenis, cultuur, het Caribisch gebied, België en Suriname.

Boek: Onder een bloedrode hemel

In het boek onder een bloedrode hemel, samengesteld door Erik van Burggen, schrijven veertig schrijvers over de Ierse band U2. Pieter-Bas is een van hen. NRC handelsblad merkte op dat bijna iedereen wat moeite heeft met dit fenomeen. Dat is bij mij niet anders. Moet je ze zien als Weldoeners of als belastingontduikers? Zijn het vernieuwers in de popgeschiedenis of jagers op goedkoop effectbejag? Lees hier meer over het boek.

Documentaire: Sovjetmuzikanten op de vlucht

Toen de Russische cellist Dmitri Ferschtman van het Sovjet ministerie van cultuur openlijk afstand moest doen van zijn grote voorbeeld Roscht Dubinski besloot hij zelf ook te vluchten. Hij zocht contact met de Nederlandse zakenman Aart van Bochove die al meerdere Russische muzikanten had geholpen naar Nederland te komen. Nu, vijfentwintig jaar na de val van de Sovjet-Unie vertellen Ferschtman, zijn vrouw Mila Baslawskaja en Aart van Bochove hun verhaal in een Spoor Terug  van Pieter-Bas van Wiechen en Sophie van Leeuwen. Beluister hem hier.

 

 

Référendum aux Pays-Bas : NON

Sophie legt de Franstalige wereld het NEE uit van de Nederlanders. Hieronder een van haar bijdrages voor de Franse zender France 24, na het referendum over het verdrag tussen de Europese Unie en Oekraïne op 6 april 2016.